Nog iets ouds wat ik staan had. Veel te erotisch om goed te zijn eigenlijk.
Oh well, have fun.
In de grote witte wereld, liep het meisje helemaal verloren. Plots was daar een vijver, met visjes erin. De vijver bevond zich in het midden van een bos, gevuld met witte bomen, waarop zwartwitte raven zaten. De raven krasten toen het meisje voorbijkwam. De verslaving had haar ver gebracht, enkel een witte wereld was nu nog bekend voor haar. Toen passeerde daar plots een paars konijnn, met babyroze bolletjes. Het meisje volgde het konijn, dat eigenlijk een haas was, maar geen paashaas, noch een kersthaas of varkenshaasje. Plots stopte het konijn, draaide zich om naar het meisje, en sprak "Also sprach Zharatustra". Het meisje begreep hier niets van en begon te wenen. De witte vijver met de witte vissen kwam plots trug dichterbij en naderde het wenende meisje, die hier zelfs niet van schrok. Plots droop het wit als een witte suikerspin van de bomen, die eigenlijk fluoroze bleken te zijn, en er erg suikerachtig uitzagen. Mensen verbleken bij het aanzien ervan, zo suikerachtig! Maar aangezien er in deze wereld geen andere mensen bestaan, is dit niet bepaald relevant. Witte kruimels van goud vlogen omhoog, weg van de vissen. Het meisje wreef de tranen uit haar ogen en aanschouwde dit spectaculaire schouwspel. Ze werd hier erg opgewonden van, en begon wild rond te lopen, als een zwarte schim door het niemendal. Enkel tranen van goud konden nog baten, fluoroze tinten begonnen de witte wereld in te nemen, en een gouden vloeistof kwam op de grond terecht, doch het waren geen tranen, noch sneeuwvlokjes. Er lekte iets. En plots stonden daar dan de twee meisjes, de ene met witte, de andere met zwarte haren, maar allebei in hun evakostuum, op hun paasbest. Toen kwam daar weer de roze haas tevoorschijn, haalde de lekkende meisjes uiteen, en schreeuwde hen toe "Verdammt in Ewigkeit!", waarna hij als een gek wegsprong. Al wegspringende, begonnen er ineens een hoge hoed, een baronnenbrilletje, grote zwarte hoed, en een wandelstaf te verschijnen, gevolgd door een zwart pinguinjasje. Toen verdween de haas helemaal. De plas gouden vloeistof werd intussen almaar groter, waarna er bij de beide meisjes drie fluoroze met goud gekleurde vlekken ontstonden, als in een driehoek gespreid over hun lichaam. De gouden plas begon ineens fluoroze te kleuren, en de twee meisjes versmolten erin tot één meisje. Het meisje had de beste karaktertrekken van beide vorige meisjes, en had dus ook wit-zwarte haren. Dit meisje had dezelfde goud-met-fluoroze puntjes, alleen waren de bovenste twee mooi op één lijn naast elkaar komen staan als twee puntige kegeltjes die naar voren stonden, en het onderste driehoekje droop nu van het wit van de bomen van weleer. Ze keek met haar lege ogen naar wat er zich tussen haar benen aspeelde, brak een roze takje van een van de bomen en spon wat van het wit hierrond, waarop zich nu gouden druppels bevonden. Ze stak het takje in haar mond, en proefde haar eigen kleuren. Heel plots begn haar buik te zwellen, waarna ze een vat bier baarde. Een vis sprong uit de vijver, brak het vat open, en plots was daar: de man. Compleet met fluoroze takje en gouden kegeltjes, al waren die veel kleiner dan van het meisje. Doch beiden hadden dezelfde ogen en hetzelfde vormloze gelaat, en waren dus onmiskenbaar familie. Ook fluoroze takken waren weer bedekt met witte suikerspin die er langzaam terug opkroop in plaats van er afdroop. De witte suikerspin werd langzaam goud terwijl de man en het meisje elkaar naderen, de vijver werd kleiner. De haas werd terug een konijn, fluogroen met fluoroze bolletjes, en langzaam werd de hele wereld wit met goud gekleurd, en was er overal water, en land. Takken en fluoroze driehoeken werden nog heel vaak nat van het vloeibare goud, en kegels groeiden nog vele malen bij het aanzien van de witte suikerspin. Suikerspinnen werden spinnen, en meerdere tonnetje werden gebaard, tengevolgde van de opwinding veroorzaakt door lange nachten praten en discussiëren. Goud werd opgedronken, en suikerspinnen ingeslikt, geslikt. Zwarte draadjes verschenen, meermaals weggehaald. Lege ogen werden rood, en mist vulde de hoofden. Een mist van vergetelheid en zaligheid, waarin de takken goud werden en suikerspinnen afgaven, als spinnen die een web maken.
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)

Geen opmerkingen:
Een reactie posten